Technologische werkloosheid.

Technologische werkloosheid.

Recent hebben twee wetenschappers, Anselm Küsters en Benjamin Schneider, een oud thema ( indirect reeds behandeld door Aristoteles in de 4de eeuw VMTR = voor de Moderne Tijdrekening), namelijk het effect van technologie op de werkgelegenheid. Door de eeuwen heen werd het thema ook aangesneden door meerdere economisten. En het is terug actueel geworden met alle recente bedenkingen rond Artificiële Intelligentie.

Beetje geschiedenis.
Beide geciteerde economisten hebben recent een interessante synthese rond dit thema gepubliceerd (url.https://ora.ox.uk/objects/uuid:839abc6e-1c7a-48f2-aff6-Ofad792b44f9).
Hierbij hebben zij een overzicht gegeven van de analyses van een zestal bekende namen in deze discipline, van de publicaties van de grote economische tijdschriften sedert de laatste eeuw en van de inhoud van tal van economische handboeken die de laatste tien jaren zijn verschenen.
Dit onderzoek voert ons, zoals gezegd, terug tot de 4de eeuw VMTR bij Aristoteles. Deze Griekse filosoof maakte zich reeds de bedenking dat bij een voldoende aantal machines men zich van de menselijke arbeid kon bevrijden. Bij hem betekende dit echter het zich bevrijden van de nood aan slaven.
Jean-Baptiste Say, klassieke liberale economist, erkende dat de technische vooruitgang arbeidsplaatsen kon en zou vernietigen, maar hij stelde daar tegenover positieve effecten (tenminste volgens hem), namelijk prijsverlagingen en productievermeerdering. Aangezien veranderingen traag gaan, zo stelde hij verder, kon de overheid daar tijdig oplossingen voor vinden. In ieder geval een typische reactie voor een liberaal. De winsten voor het bedrijfsleven en de kosten en gevolgen voor de gemeenschap.
David Ricardo redeneerde in het begin in dezelfde richting, maar veranderde later zijn stelling. De technologieën, zo schreef hij, drukken op de salarissen en verhogen de werkloosheid door de bedrijfsmiddelen te reoriënteren naar het kapitaal ten koste van de arbeid.
Voor Marx was de zaak éénduidig en klaar. Machines zijn het instrument bij uitstek van de kapitalistische accumulatie. Door salarissen uit het productieproces te halen, doen zij de onzekerheid groeien..
Keynes gebruikt de term “technologische werkloosheid”, maar blijft optimistisch bij het fenomeen technologische groei. De productiviteitswinst, zo stelt hij, zal de mogelijkheid bieden om minder te werken en meer te rusten.
Schumpeter finaal gaat ervan uit dat er technologische werkloosheid zal zijn, maar dat deze tijdelijk en voorbijgaand zal zijn. De fameuze creatie door vernietiging.

Gebrek aan waakzaamheid is schadelijk.
Küsters en Schneider doen uit hun onderzoek meerdere frappante vaststellingen. Eerst en vooral stellen ze een academische interesse voor het onderwerp rond de jaren 1930 vast om letterlijk van het toneel te verdwijnen. Het thema komt weer aan de orde rond 2010 met een versnelde reeks publicaties sedert 2020. De meeste van deze recente publicaties zijn theoretische benaderingen en empirische analyses.
Drie vierde van al deze werken erkennen de mogelijkheid van technologische werkloosheid. Maar slechts een kwart voeren een empirisch bewijs aan en wagen zich cijfermatig niet aan een uitspraak over het reële impact.
De onvermijdelijke Paul Samuelson onderlijnde reeds in de jaren 1950 dat de hedendaagse economisten de neiging hebben de negatieve effecten op de werkgelegenheid te onderschatten. Punt.
Küsters en Schneider stellen vast dat de publicaties tussen 2004 en 2014 meer en

meer het accent leggen op de productiviteitswinst en de economische groei, terwijl het impact op de arbeidsmarkt slechts in de marge wordt behandeld. Bij sommigen zijn deze sociale bedenkingen zelfs helemaal verdwenen.
Vreemd genoeg stellen we vast dat hoe meer technologie vandaag vooruitgaat, hoe minder waakzaam de economisten hierbij worden. We zijn vervallen in een soort beleefde vorm van vergetelheid sedert 1930. Maar de Artificiële Intelligentie is niet meer te stoppen en zal met vallen en opstaan snel een groot impact krijgen. Toch blijft men vasthouden aan het oude scenario en het geloof dat op “lange termijn” de werkgelegenheid zich herstelt en aanpast aan de technologische revoluties.
Hierbij herinneren Daron Acemoglu en Simon Johnson ons eraan dat technische vooruitgang niet automatisch rijmt met sociale vooruitgang. Ze komt ten goede aan een kleine elite, creëert vele verliezers en wordt niet omgezet in een redelijk gedeelde rijkdom. Behalve bij een politieke strijd, zo stellen zij.
Aan de socialistische partij om wakker te blijven en aan de vakbond om de oude strijdliederen weer boven te halen !
Een ernstige en brede studie en analyse van de gevolgen op werkgelegenheid dringt zich op. De wetenschappelijke instituten en de academische wereld hebben ons duidelijk in de steek gelaten. De benaderende berekeningen van productiviteitswinsten zijn gemaakt. De berekeningen en ramingen over het sociale impact laten op zich wachten.